• Erosive haemorraghic cholecystitis Η-Ε

  • Erosive haemorraghic cholecystitis Η-Ε

  • Varying degrees of cellular dysplasia in colon adenomatous epithelium. H-E

  • Severe atypia in epidermal cells H-E

Basic Pathology

Afdrukken

1.1 Normale wand van de appendix. Mucosa (witte pijl): met glandulair epitheel (pijlpunten) en crypten (hoekige pijlen). Submucosa (rode pijl): bindweefsel en lymfoid weefsel waarbij de laatst follikels vormt (gebogen pijlen). Spierlaag (groene pijl): Subserosa (gele pijl). Bij een haematoxyline – eosine kleuring (H&E) is haematoxyline basofiel en kleurt kernen aan. Eosine is acidofiel en kleurt het cytoplasma. Rijpe kleine lymfocyten hebben heel weinig cytoplasma en zijn dus basifiel – paars; Spiercellen daarentegen hebben ruim cytoplasma om te kunnen contraheren en zijn dus acidofiel – roze (groene pijl).

Lees meer: Acute appendicitis
 
Afdrukken

2.1 Mucosa van de galblaas. Glandulair epitheel (witte pijlen) en basofiele lamina propria (paarse pijlen) ten gevolge van de aanwezigheid van ontstekingscellen met weinig cytoplasma.

Lees meer: Acute cholocystitis
 
Afdrukken

3.1 Duodenum ulcus.  Glandulaire mucosa (witte pijlen). Gebied met verlies van epitheel (zwarte pijlen) en formatie van inflammatoir granulatieweefsel (rode pijlen).

Lees meer: Ulcererende lesies
 
Afdrukken

4.1 Een grote bronchiole (centraal) met de kenmerkende epitheelbekleding (witte pijlen, repiratoir-type, cilindrisch epitheel) en glad spierweefsel (groene pijlen) eromheen. De alveoli zijn gevuld met een ontstekingsinfiltraat (asterisk) in plaats van lucht. Het exsudaat komt voort uit de capillairen van de septa (pijlpunten) tussen de alveoli.

Lees meer: Lobulaire pneumonie – long abces
 
Afdrukken

ANDREAS C. LAZARIS

Neoplasieen of tumoren worden gekarakteriseerd door een ongecontroleerde celgroei als gevolg van toegenomen celproliferatie en/of afgenomen apoptose. Wanneer een tumor groeit zonder het stroma en het omliggende weefsel te infiltreren dan is de tumor benigne van aard en betreft het een lokaal ziekteproces. Wanneer een neoplasma echter het stroma en het onderliggende weefsel wel infiltreert, en daarbij ingroei  in lymfe- en bloedvaten optreedt, dan verwerft het de mogelijkheid om te metastaseren waarbij het van een lokaal ziekteproces transformeert naar een potentieel systemische ziekte. Bij microscopisch onderzoek van een tumor gaan we altijd op zoek naar tekenen van differentiatie. Dit wil zeggen dat we zoeken naar overeenkomsten of gelijkenissen met normaal weefsel.  Op deze wijze kan de histogenese worden bepaald en de tumor worden geclassificeerd aangezien de diffentiatierichting van een tumor in het algemeen gelijk is aan die van het weefsel waaruit deze is ontstaan. Alleen bij maligne tumoren wordt de differentiatiegraad gerapporteerd in de vorm van een histologische maligniteitsgraad. Niet goed-gedifferentieerde benigne tumoren kunnen in meer of mindere mate cellulaire atypie laten zien, waarbij de mate van  verstoorde cellulaire uitrijping wordt gegradeerd. Benigne tumoren worden echter niet gestadieerd aangezien zij door hun benigne aard niet tot metastasering in staat zijn. Maligne tumoren daarentegen worden gestadieerd naar de mate van uitbreiding ten tijde van de diagnose.

Lees meer: HIPON beelden van neoplasie