Acute appendicitis

Afdrukken

1.1 Normale wand van de appendix. Mucosa (witte pijl): met glandulair epitheel (pijlpunten) en crypten (hoekige pijlen). Submucosa (rode pijl): bindweefsel en lymfoid weefsel waarbij de laatst follikels vormt (gebogen pijlen). Spierlaag (groene pijl): Subserosa (gele pijl). Bij een haematoxyline – eosine kleuring (H&E) is haematoxyline basofiel en kleurt kernen aan. Eosine is acidofiel en kleurt het cytoplasma. Rijpe kleine lymfocyten hebben heel weinig cytoplasma en zijn dus basifiel – paars; Spiercellen daarentegen hebben ruim cytoplasma om te kunnen contraheren en zijn dus acidofiel – roze (groene pijl).

1.2 Acute ulcererende ontsteking. Vervanging van de mucosa van de appendix door inflammatoir granulatieweefsel met neovascularisatie (rode pijl). Restanten van oppervlakkig bekledende glandulair-cilindrisch epitheel (witte pijlen).

1.3 Inflammatoir granulatie weefsel. Purulent inflammatoir exsudaat (witte pijlen), nieuw gevormd dunwandige bloedvaten (rode pijlen) en basofilie van de ontstekingscellen

1.4 Subserosaal inflammatoir exsudaat. Matuur vetweefsel (witte pijlen) in de subserosa van de appendix. Aggregaten van ontstekingscellen (paarse pijlen). Gevaar van inflammatoire invasie van de aangrenzende peritoneale holte.

1.5 Overmaat aan neutrofielen (paarse pijlen) in het ontstekingsexsudaat (acute ontsteking op basis van bacteriele pathogenese). Migratie in de venulen (pijlpunten) van de subserosa. Gevaar voor hematogene verspreiding via de portale circulatie naar de lever met formatie van microabscessen.

 

шаблоны joomla